de wolken

uit de geheime laden van hugo claus


aanleiding voor deze bijdrage over Claus, 14 jaar na diens overlijden in 2008,
was de lectuur van De wolken - uit de geheime laden van Hugo Claus
 
(postume uitgave 2011 / de bezige bij / amsterdam)


     Telegrammen, kattebelletjes, rekeningen, mappen vol foto's en tekeningen, stapels notities, kladjes of aanzetten tot al dan niet gepubliceerd werk, agenda's, brieven en dagboeken... Het zijn de ingrediënten waarmee in dit lijvige boek het portret wordt neergezet van een grote auteur, die hiermee even terug springlevend wordt. Met deze bewoordingen wordt op de binnenflap het opzet van deze uitgave verwoord.
Verder vernemen we daar dat Claus bij leven nochtans vrij minnetjes deed over wat hij zoal bewaarde: zijn bibliotheek noemde hij een bijeengeflanst en door velen geplunderd zootje. (...) Memoires, liet hij zich meermaals ontvallen, waren aan hem niet besteed. De manier waarop hij een algemeen gebrek aan belangstelling voor zijn eigen leven etaleerde deed  ook vermoeden dat hij geen groot dagboekschrijver was.

Dat vermoeden bleek, na lectuur van De wolken, totaal onterecht! In een of ander schriftje, vermoedelijk neergeschreven in '48 - Claus was toen nog een jonge twintiger - , noteert hij iets over de twijfel die menige auteur al eens overvalt:

Aan zichzelf twijfelen (...)
Ik wil mezelf hieraan wat verhelpen, daarom begin ik deze nota's
(...)
Ik hoop dat nooit iemand ze leest


De winst? Misschien helpen zij mij directer tot schrijven dan de lusteloze luiheid, want het is luiheid waarin ik mij tot nu toe confineer
(...)
Het is een hopeloos geval, hier in huis te willen schrijven. Het dodende is vooral dat ik wat ik schrijf wil verbergen voor een blik, wat hier niet mogelijk is. Mijn moeder lacht er 's anderendaags mee.

     Naast de bekentenis over de zelftwijfel is er de stuntelig geformuleerde verantwoording bij het starten van die nota's in een of ander cahier: misschien helpen ze hem om zijn aangeboren luiheid te doorbreken. Het betekent dat hij het plan heeft opgevat om, zolang als of telkens wanneer die vervelende geaardheid hem parten speelt, zijn toevlucht te zullen zoeken in zijn dagboek. En er is méér: de jonge Claus lijkt timide, is bevreesd dat iemand zijn intiemste gedachten en emoties zou ontdekken; zelfs zijn eerste schrijfsels wil hij verborgen houden voor de blikken van zijn moeder en bij uitbreiding van de rest van de wereld.
Ja, er zijn ten huize Claus wel degelijk notities allerhande gevonden en dit moet ons echt niet verwonderen. Welke auteur heeft niet een schriftje op zijn nachttafel liggen waarin hij, midden in de nacht wakker schietend, een origineel bedacht kattebelletje neerkribbelt of die ene ronkende onvergetelijke zin die hem later beroemd moet maken?


de dichtkunst is een grote kunst
omdat Hugootje erin verstoppertje kan spelen


(een van de vele kattebelletjes, waarmee het boek is gelardeerd)

Waarom dit boek en waarom toen, kunnen we ons afvragen

     Waren er over Claus tijdens zijn leven dan nog geen literaire biografieën geschreven misschien? Toch wel, maar die waren per definitie onvolledig en dus achtte men (mevrouw Claus, de aangezochte samensteller Mark Schaevers en de uitgever) het opportuun om, voor anderen zich op zijn integraal leven en werk zouden storten, het brede publiek een zeg maar intieme inkijk te bieden in zijn geheime laden. Dergelijke ondertitel laat meteen vermoeden dat er allerlei zaken uit de privésfeer zouden onthuld worden. En dit is precies wat men bij het achteloos doorbladeren van dit lijvige ruim 300 pagina's tellende boek krijgt voorgeschoteld. Het zal bij menige lezer wel eerst even de nieuwsgierigheid prikkelen, maar bij een aandachtiger kennismaking volgt wellicht een niet meer te ontkennen gevoel van plaatsvervangende schaamte.

Wij komen hier nog op terug in enkele Slotbeschouwingen.

Wat moeten wij daar nu mee?

     We zouden bij de verdere bespreking kunnen ingaan op Claus' dagboeknotities - ruim 100 pagina's die een periode van meer dan een kwarteeuw bestrijken - ,  op de briefwisseling met zijn familie, zijn correspondentie met al die recensenten die zijn werk weer eens verkeerd hebben begrepen, zijn striemende uithalen tijdens publieke optredens... Het moet overduidelijk zijn waarom we hier niet voor wilden opteren: zou Claus, uitgerekend hij die doorging als iemand die terughoudend was over zijn privé-leven, voor de publicatie van al deze gereveleerde niet zelden gênante onthullingen en anecdotes zonder enige reserve zijn toestemming hebben gegeven? Het valt ten zeerste te betwijfelen. Had hij immers niet al op jonge leeftijd, nog vóór zijn eerste echte publicatie het levenslicht zag, geschreven: Ik hoop dat nooit iemand ze (deze nota's) leest.

     Niets belet ons daarentegen om onze aandacht vooral te richten op dat ene hoofdstuk in het boek, waarin hij ingaat op een uitnodiging van Simon Vinkenoog, collega-schrijver en compagnon de route: Beste Hugo, zou je je medewerking willen verlenen aan een coververhaal over jezelf? Het antwoord van Claus is kort en krachtig: Met alle plezier! Waarop Claus al meteen spijt krijgt over die spontane toezegging, want Simon verwacht dat hij zijn huiswerk grondig maakt, want zie: hij schotelt hem maar liefst een 20-tal vragen voor over zijn familie, kindertijd, herinneringen aan de oorlog, eerste verliefdheid, prille schrijversdroom, de aanleiding voor zijn vele verhuizingen en reizen... maar ook hoe hij zichzelf situeert in de wereld van de literatuur,  welke de grond is voor zijn liefde voor poëzie, toneel, film... , hoe hij zijn eigen persoon zou omschrijven...

Vanuit die onvalshoek lijkt het ons wél gepast om Claus letterlijk te citeren, hem zelf aan het woord te laten. Hij heeft immers zijn uitdrukkelijke toestemming gegeven om zijn antwoorden te laten publiceren; we schrijven 23/05/1959, de titel van het stuk in de Haagse Post: Portret van ex-wonderkind Hugo Claus (30) op de leeftijd des onderscheids.

Uit zijn los uit de pols neergepende antwoorden komt het beeld naar voor van een ambitieuze jonge man met een opvallende eigendunk, gedreven en ambitieus, lui, oppervlakkig én veeleidend voor zichzelf, passief én impulsief... De jonge Claus lijkt wel een vat vol tegenstrijdigheden, nog volop op zoek naar zichzelf als mens, als toekomstig schrijver.

De bevrijding is een revolver kopen van de Canadese soldaten, gedichten schrijven, chewing gum proberen, wennen aan het trage ritme der Amerikaanse liedjes want wekenlang dacht je dat het allemaal parodies van sentimentele liedjes waren

bij de bevrijding in '45 - H.C. zit dan nog op de schoolbanken

 

Omdat ik lui en onbetrouwbaar was, vloog ik er gauw uit. Het langst was ik gevelschilder. Ik kan je diverse gevels aanwijzen te Gent die ik geverfd heb. Het liefst ging ik op de daken, omdat het uurloon groter was en omdat niemand je controleerde. Je lag in de zon op het dak 'op iemand anders kosten'. Een mooie sensatie die ik niet meer terugvinden kan.

na zijn niet afgemaakte studies neemt H.C. allerlei jobs aan, telkens van korte duur;
hij neemt in die periode ook enkele maanden les in de avondacademie 
te Sint-Martens-Leerne.
 

Ik ben dol op mooie vrouwen, maar ik geloof dat ik een man van één vrouw ben. Zoals Dali, Hölderlin, en mijn lievelingsdier, de valk. Ik houd van haar. Zij is wild, lastig, jaloers en zeer mooi. Een luxevrouw die doorlopend en makkelijk in armoede leven kan met mij. Zij noemt mij Claus. Ik maak haar het leven lastig. Basta!

hij heeft zopas de actrice Elly Overzier ontmoet met wie hij in '58 in het huwelijk zal treden;
via haar zal hij het Italiaanse filmmilieu ontdekken

Op de bus staan in Rome en overal rondom mij Italianen horen praten in het 3e jaar en mij afvragen waarom. Een zeer reëel gevoel van vervreemding. Van verlies. Taal, mensen, mentaliteit, tijd ontsnapt mij. Een nogal abrupt vertrek naar België.

de eeuwig onrustige H.C.: in een impulsieve bui verlaat hij Italië, verknocht als hij blijft aan zijn Vlaamse roots

Hoe werk ik? Rook twee pakjes Gauloises per dag. Schrijf alles met een schooljongens-Ballon-pen op, typ dan over, verbeter en typ dan nog eens over. Vier keer. Ik ben een zwoeger, inderdaad, ook als ik vlug iets af wil maken. Ik werk evenwel slordig. Dagenlang niets. Soms dan twee dagen na mekaar zonder slapen (...) In de andere dagen dat ik niets doe, schilder ik en lees ik twee, drie Serie Noires of Amerikaanse thrillers per dag. Of zit in de cinema. Of slenter. Alhoewel ik weing babbel met de mensen in de straten of in cafés. Ik doe dus bijna nooit directe contacten op, via vertellende mensen. Ben niet op zoek naar anekdotes, naar achtergronden, couleur locale.

hij werkt slordig, zonder een concreet plan, met horten en stoten, verdoet veel tijd;
anderzijds laat hij zich in diezelfde periode volgende boutade ontvallen: 
Mensen weten niet dat ik als een roofvogel tussen hen loop, en stukken uit hen hap om daarmee boeken te schrijven

Ik ben naar toneelschrijverij overgeschakeld, na romans en gedichten, niet alleen uit nieuwsgierigheid naar het nieuwe medium, maar vooral omdat er een onmiddellijk contact moet gebeuren tussen mij en de troep samengeschoolde loerders, vitters, kijkers. En wanhopige machtswellustelingen, dus.

op zoek naar een haast lijfelijk contact met zijn publiek

Onzeker (uiteraard) over mijn plaats in de letterkunde. Omdat ik het gevoel heb (het nuttige, het nodige gevoel) dat ik mij niet voldoende 'realiseer', dat er steeds maar kleine facetten op een zeer onvoldoende wijze aangeslepen worden van mijn wezen. (...) 
Ik ben geen 'engagé' auteur. Ik heb weinig te vertellen over politiek, sociale situaties, filosofie; vandaar dat heren die wél willen laten weten dat ze hun Sartre gelezen hebben nogal gauw besluiten dat mijn werk een uiting van 'geestelijke armoede' zou zijn. (...)
Dit alles belet mij niet, natuurlijk, om in gezelschap op de meest afdoende manier over politiek en geëngageerd zijn te lullen.

ontevreden over zichzelf en zijn werk: wat wil ik met mijn geschrijf bereiken?

Mijn laatste stuk (...) wekt de weerstand op van iemand als Herman Teirlinck, die mijn vorige stukken mooi vond. In dit laatste schrikt hij ineens en zegt dat er 'geen poëzie, geen menselijkheid' in te vinden is. Want hij ziet niet dat (zoals met de vorige stukken ook het geval was, maar minder consequent) de poëzie, de menselijkheid  niet alleen van het gewone timbre verschillen, niet alleen van begrip verschoven zijn, maar dat men ze moet zoeken in de materie zelf, niet meer in coupletjes die poëtisch klinken, of scènes die de meest onmiddellijke klieren kittelen.

de dichter wiens eigen stijl onvoldoende begrepen en geapprecieerd wordt

Over zijn karakter (karakter van Bibi) noteert hij in telegramstijl: 

Trots, soms ijdel:
jongere dichters die mij de eerste keer ontmoeten en mij met de voornaam aanspreken schrikken van mijn buiten proportie bijna razend-vlijmende reactie, mijn hautain sarcastisch commentaar;

Wantrouwig:
ik maak weinig nieuwe vrienden. In zakelijke aangelegenheden vraag ik steeds het dubbele van het aangebodene;

Gesloten:
bij vreemden hou ik het bij beleefde glimlachjes, een terne houding; alleen intiemen hebben recht op mijn verhalen, mijn leugens;

Gepassioneerd, maar in een korset:
gedisciplineerd in de omgang met anderen, tenzij domheid mij zo ergert dat ik grof word

Genereus. Congenitaal leugens vertellend

Je m'en foutisme

 

En dan volgen nog enkele antwoorden op vragen over zijn werk als schrijver van gedichten, toneel... : Le poète, d'où vient-il?... l'homme du théâtre?...

de dichter komt van de terreur of de luister die in flashes over hem komt en die hij met gelijke flashes probeert te exorciseren,

de verteller uit escapisme,

de theaterschrijver uit exhibitionisme, een poging om de eenzaamheid te doorbreken door anderen een glanzend rad voor de ogen te draaien.

Alhoewel deze motieven doorvlechtbaar zijn. Overigens, wij moeten toch minder essays, poëzie, romans schrijven dan wel 'boeken'. Ja, 'boek-ikken'.

Cavalier seul in Vlaanderen. Ik zie nooit een Vlaming, tenzij Louis Paul Boon af en toe in een semi-pornografische bios hier. In Vlaanderen tieren ze welig de analfabeten in pers, radio, televisie, film. Behalve het uitschot, de proleten in het Patershol frequenteer ik geen mensen (...)

'Laten we vooral niet over literatuur praten!' Alsof zij er zich voor schamen, alsof literatuur iets is dat men moet bedrijven (zoals zij), schaamtevol in de vrije uren nadat de dagtaak met het gewin voor vrouw en kind achter de rug is. Deze vogel hier schaamt zich niet weken lang niets te doen onder het verrukkelijke excuus: morgen schrijf ik een trillend versje

Hoe contrasterend toch is die laatste uitspraak met een andere beschouwing uit diezelfde periode: Het curieus fenomeen dat onveranderlijk werkt: zodra ik een uur van mijn schrijftafel verwijderd ben, een half uur, heb ik behalve een enorme werklust het gevoel dat alles toch eenvoudig te realiseren is. Vlak voor het papier, het vermoeiende gehaspel, het overweldigend gevoel zinloze en banale zinnen aan elkaar te naaien. Niet één regel geschreven vandaag.
Het contrast tussen het beeld dat hij van zichzelf wil ophangen op het publieke forum en zijn persoonlijke beleving rond het moeizame schrijfproces buiten de schijnwerpers kon niet groter zijn.

Dagboeknotities en brieven

     Waarom we hier dan toch nog ingaan op die dagboeknotities en brieven?

Omdat sommige van die notities ons nog beter laten inzien hoe Claus voor en tijdens het schrijfproces continu bleef vechten tegen zichzelf: Ik weet me geen raad met tijd, leven, wereld, mijn vel, mijn hoofd en het verbetert niet...
Omdat er steeds ook die andere Claus is, de publieke figuur die ongenadig, neerbuigend en kwetsend uit de hoek komt. We beperken ons tot een fragment uit een van die bij de lezer vooral gêne opwekkende brieven

 

1) de notities

Alhoewel sommige persoonlijke beschouwingen, die Claus op latere leeftijd aan zijn dagboek (in cahiers en op talloze losse pagina's) toevertrouwt in de lijn liggen van zijn eerdere antwoorden aan Vinkenoog, kunnen we er niet omheen dat hij ook later onverminderd zal blijven worstelen met zichzelf, met de kwaliteit van zijn eigen werk... 


... bij 't allereerste licht van de trein naar huis. hier ben ik nu. 11u30. En wat is er gebeurd? Geen regel. En de maand is om. Zoals ik 't roken heb afgezworen, zweer ik op drie bladzijden elke dag. Vanaf zaterdag 1 februari. Kinderachtig, maar toch helpt het misschien. (...)

Nu nog vermageren, en dansen leren en ik kan naar 't Boekenbal. (...) Ik weet geen raad met tijd, leven, wereld, mijn vel, mijn hoofd en het verbetert niet (...).

maandag 27/01/'58 - H.C. is net terug van een dagje (en nachtje) stappen in Antwerpen:
hij is dan 30, lijkt nog steeds op de slechte student

die vaststelt dat hij tijdens het jaar zijn studies grondig verwaarloosd heeft 

Verhuisd naar huisje in de tuin. Ik zal noteren, samenvatten. En bij de eerste regels bevries ik alweer, er is niets te noteren, tenzij de lijst van de werkzaamheden. De fabriek moet, na al die tijd, weer roderen. De grootste moeilijkheid is de onderverdeling. Terwijl ik nu 'Genesis' zou moeten afwerken, wil ik aan 'Schaamte', aan 'Tijl', aan 'Gilles', etcetera. (...)

(...) de paniek voor het geschrevene installeert zich aldoor (...).

11/11/'68 - H.C. laat van zich horen als sociaal geëngageerde auteur,
werpt zich, ambitieus als hij is, nu ook op toneel en film:
alhoewel er dringend moet gepubliceerd en verkocht worden, verslikt hij zich,
krijgt zich amper georganiseerd, 
heeft teveel ijzers in het vuur

Gisteren drie gedichten in het net geschreven, keurig. Het is ook iets nieuws, vroeger was het schrappen en krabben op één pagina, nu royaal op het voor mij gesneden papier (...) breeduit de tekst herschreven (...).

En, niet te vergeten, het is ook het prettigst, misschien wel het enig geëxiteerde van het verzenmaakschap. Passen, preciseren, in de kronkels zoeken naar een klinker.

13/11/'68 - H.C., een vakman aan het werk:
een van de weinige keren waar hij teveden is over het geleverde werk

Nu negentien gedichten. Nog te zeer berekend met een klankje hier, een echo daar, en het zo veilig makkelijk teruggrijpen naar de gedachte als sluitsteen, terwijl ik misschien veel meer het opene, het onstatische zou moeten in de gaten houden.  Las gisteren (...) over de frisheid, de charmante kant van poëzie die men als jongen, jonge dichter schrijft en hoe die later met bedoelingen en filosofie omhangen wordt en log en onverteerbaar.

17/11/'68:
toch blijft hij, kritisch als hij is voor zichzelf,
streven naar het vinden van de juiste zegswijze en toon

Hoe tam, hoe ongeïnspireerd, hoe laks en bijna ongeïnteresseerd leid ik mijn leven, als ik vergelijk. En toch, als ik werkelijk een beroep zou doen op wat mij eigenlijk bezielt, onder de korst geworden civiliteiten en relativeringen, smeult er een vulkaan als bij hem. Het sleutelwoord is: beperking in de aandacht, beslistheid in het graven, niet loslaten. Bij mij zou dit zijn: de demonie lospeuteren, want de duivel heeft zich in een beleefd, verstarrend, smorend hulsje vermomd.

19/12/'68 - bij de lectuur van de brieven van Malcolm Lowry, Engelse dichter en romancier:
H.C. is ontevreden, realiseert zich dat hij tot veel meer in staat is

2) de brieven

Brief aan het Centrum voor Nederlandse Dramaturgie (20/09/'69) waarin Claus bedankt voor een voorstel om de regie op zich te nemen van een van de toneelstukken die hij geschreven heeft. Hier klinkt hij effenaf hautain, striemend, kwetsend, vilein...

Zeer geachte Heren,       

Mijn dank voor de boeiende stencil met het ontwerp voor de statuten van uw Centrum. Tot mijn spijt zal ik niet op uw stichtingsvergadering aanwezig zijn daar ik in dit onderwerp niet de geringste basis zie voor een vruchtbare discussie (...)

(...)

De arrogantie van uw verkwikkelijk document grenst aan het perverse. En u mag het mij niet kwalijk nemen als ik weiger op te treden in deze 'nature morte' waarin u het peenworteltje van 7000 frank laat bengelen voor de ezel-toneelschrijver die de kar van zijn stuk verder trekt waarop dan nog een begeleider zit die aan eenzelfde peentje knabbelt. (...)

(...)

In het geloof dat ik hiermee de Nederlandse dramaturgie de enig mogelijke dienst bewijs die zij verdient, in de hoop dat u uw verse en reeds kwalijk ruikende gewaden zult afrukken, en met mijn voor het ogenblik nog wankelbare Liefde, uw
Hugo Claus.

'De wolken', het grote boek, zijn allerlaatste, dat hij zo graag tot een goed einde had gebracht

     De eerste honderd bladzijden van 'het grootste boek uit zijn leven', zo beweerde Claus, zouden bij een verhuizing in het voorjaar van '86 gestolen zijn: alles wat ik nu nog op papier zet zal altijd een zwakke afschaduwing blijven van wat ik had', maar iets later klonk het: Het grote boek? Dat zijn de rare, grauwe wolken die je verspreidt.'
Met deze slotzin, die ons toch wat in het ongewisse laat over zijn al dan niet verijdelde plannen, wordt het nawoord van voorliggend boek afgesloten.

Dat Claus een titel had voor zijn allerlaatste roman, daar hoeft niet aan getwijfeld (zie afbeelding hieronder). Hij zou zich zelfs hebben laten ontvallen dat hij die titel met graagte zou delen met Aristophanes, weliswaar geen tijdgenoot want Grieks dichter en schrijver van blijspelen die leefde lang voor onze tijdrekening. In zíjn 'De wolken of de school voor sofisten' steekt Aristophanes de draak met de leer van de sofisten, waarbij hij Socrates opvoert als een zweverige intellectueel. We kunnen ons levendig voorstellen dat Claus een grote sympathie koesterde voor zijn Griekse collega.

titelpagina van het cahier waarin Claus
in verband met zijn laatste project
zijn eerste ideeën neerschreef

behalve een of twee schaars gevulde cahiers zou er ook sprake zijn van vele losse pagina's die moeten getuigen van Claus' worsteling, gedurende meerdere jaren, met de algemene contouren van het boek 'Wolken': personages, mogelijke scènes, plot...

Pas in het allerlaatste hoofdstuk, op pagina 322, wordt in voorliggend boek onthuld vanwaar die wolken kwamen aangewaaid: Claus was nog niet klaar, hij wou de wereld nog eenmaal verbazen en het liefst met iets waar hij zich het best mee kon uitdrukken, te weten het schrijven van een lijvige, beklijvende roman met nieuwe biografische elementen, zijn ultiem magnus opus. En had hij niet ergens iets van Strindberg gelezen, iets over luchtspiegelingen en fata morgana's, schaduwprojecties van plaatsen op de aarde die wij niet kennen, over wolkenformaties ook?..
Het doet ons spontaan denken aan het personage Jacob Voorlandt, Jeroen Brouwers' alter-ego, schrijver en fotograaf van wollken (Winterlicht, uitgebracht in '84). Maar misschien is dit te ver gezocht.

Indien de onthulling over die honderd verloren bladzijden op waarheid zou berusten kunnen we alleen maar zeggen: jammer, doodjammer!

Enkele slotbeschouwingen:

1) Hugo Claus, een controversiële persoon

Het minste wat we over Claus kunnen beweren is dat hij eigenzinnig was, een eigengereid trekje vertoonde, dat hij een ego had zo groot als een huis, dat hij graag tegen de schenen van het establishment schopte, dat hij narcistisch was, zich graag in de etalage plaatste.
Als auteur was hij ambitieus, niet gauw tevreden over de kwaliteit van zijn eigen werk in wording. Maar hij was gulzig, had vaak teveel ijzers in het vuur. Voor een persoon met een toch opvallend gebrek aan organisatietalent moet zoiets een gesel geweest zijn, en niet minder voor degenen met wie hij samenwerkte bij het tot stand komen van een of ander project: een publicatie, toneelvoorstelling...

Naar buiten, behalve voor enkele intimi, hield hij zijn 'zwakheden' angstvallig verborgen. In de publieke arena kwam hij geenszins over als een over zijn plaats in het universum van de literatuur aan zichzelf twijfelende persoon. Integendeel, op het publieke forum beet hij vaak van zich af, gaf hij vlijmscherpe replieken op al wie hem onvoldoende naar waarde schatte, trapte hij heilige huisjes in dat het een lieve lust was. 
Dergelijk haantjesgedrag waarmee hij vriend en vijand schoffeerde, samen met een niet aflatende hautaine houding, zorgde er wellicht mee voor dat hij aanhoudend succes kende in de boekenverkoop. Het belette echter niet dat hij zich vaak onbegrepen voelde: Nooit wist Claus zich genoeg gekoesterd, nooit voelde hij zich ergens 'thuis'. Misschien verklaart dat de rusteloosheid waarmee hij altijd maar bleef verhuizen*. (Marc Reynebeau in De Standaard - 19/03/2008).
(*n.v.d.r.: St.-Martens-Leerne - Oostende - Parijs - Rome - Gent - Nukerke - Knokke - Amsterdam - Parijs - Zuid-Frankrijk. - Antwerpen)

2) Claus en zijn werk: zaligverklaringen, vermorzeling en zowat alles wat daar tussenin ligt

Men kan er niet naast kijken: de duizendpoot Claus heeft een enorm uitgebreid én gevariëerd oeuvre tot stand gebacht: poëzie, verhalen en novellen, romans, toneelstukken, operalibretto's, filscenario's en schilderwerken. Bij het afscheid van Claus typeert Reynebeau de auteur in deze gevleugelde bewoordingen: Hij stapte de literatuur binnen als een wonderkind (1947; hij was nog geen 20), was ruim een halve eeuw Vlaanderens toonaangevende schrijver, en stapte eruit als een seigneur.

Elders lezen we:  'Een snelschrijver die onvermoeibaar grotesk de culturele reikwijdte van de menselijke obsessie met viriliteit aantoonde zonder aan scherpte in te boeten'
(Aragorn Fuhrmann; recensie over Claus'  gebundelde 'Alle verhalen' (2019)

En toch waren er naast de ontelbare lofbetuigingen, onderscheidingen en prijzen, en al evenveel eerbetoon van collega-schrijvers en recensenten in het Nederlandse taalgebied ook scherpe kritieken als zou Claus onbegrijpelijke taal produceren, een over het paard getilde charlatan zijn...

 

'Het opvallendste kenmerk van Het verdriet van België is dat het zo geweldig dik is'. 
(WF Hermans kreeg nauwelijks meer woorden over zijn lippen)
en ook: 'Het is Vlaanderens snelste imitator'

'Claus was een buitengewoon begaafde, bliksems handige auteur, maar niet meer dan een groot virtuoos'
(
Gerard Walschap over Claus' poëzie) 
en ook (Claus had hem om zijn mening gevraagd over zijn poëtisch werk): 'Ik heb er mij met beleefde manieren van afgemaakt, maar ofwel verstond ik ze niet, ofwel vond ik er geen substantie in. Literatuur, maatwerk, geen menselijke mededeling, geen poëzie. Ik deed nochtans mijn uiterste best'.
Maar later: 'Ik heb me in hem vergist'
(die radicale ommekeer vond zijn oorsprong in zijn kennismaking met Claus' nieuwe roman Het verdriet van België)

'Het geval Claus is er alleen nog een van openlijk literair charlatanisme. Hij wordt een pasja die alleen nog bewierookt wordt. Maar die wel zoals een afgodsbeeld de offers om zich heen verzamelt, die voor de ware god zijn bestemd.'
'Ieder jaar wordt voortaan ook de comedie opgevoerd dat Claus wellicht de Nobelprijs zou krijgen, wie weet. Al wie ook maar een beetje verstand van zaken heeft weet dan dat dat nooit zal gebeuren'
(Luc Mariën, 09/2011 in Het paradigma)

3) Nog één keer 'De wolken en de geheime laden': recensenten aan het woord

Guido Lauwaert in Knack - 25/05/'11: 'De wolken' van Hugo Claus: roddel en kassa'

'Dat knipselboeken verschijnen gebeurt wel meer. Maar ze verschijnen wanneer vertrokken is vanuit een grote eerbied voor de kunstenaar, nadat een biografie is verschenen'

'Wat hem betreft mochten ze (zijn dagboeken en cahiers) na zijn dood verbrand of op de markt gegooid worden. Deze uitspraak geeft echter geen recht om een van beide te doen'

'Vooral losse flodders, uit hun verband gerukte notities over intieme ervaringen, van het soort waar bladen als Story mee vol staan (...)
Dat de notities niet nader worden toegelicht maakt de zaak nog erger'

'Wie er niet in staat mag zich in de troonzaal weten of die dufden de weduwe en haar handlanger niet kruisigen omdat hij of zij nog in leven is en de hoogste waardering geniet in de Vlaamse kunstwereld'

Gerard Bes in het cultuurmagazine 8Weekly - 15/06/'11: 'Ratjetoe als uitzonderlijk gerecht opgediend'

'Ze (mevrouw Claus) heeft per se een monument voor haar echtgenoot willen oprichten, terwijl het bij elkaar geschoffelde materiaal het monumentale van de uitgave weinig rechtvaardigt'

'Het schaamrood zou hij op de kaken hebben gekregen van alle tekstprobeersels, brieven, dagboeken, familiekiekjes, tekeningen, telegrammen en rekeningen die de lezer ook nog voor de kiezen krijgt (...). Je vraagt je in gemoede af waarom in vredesnaam je al dit triviaals opslobbert'

'Het is klaar als een klontje dat Claus dagboekanierde voor eigen gebruik, anders had hij stilistisch wel beter zijn best gedaan'

Het immense oeuvre van Hugo Claus is een kosmos,
een zonnestelsel met planeten en asteroïden.
In zijn werk bestaat het diepzinnige naast het banale,
het burleske naast het klassieke

Michaël Zeeman

mijn persoonlijke favorieten

De Metsiers (1950 - roman)
De hondsdagen (1952 - roman)
De verwondering (1962 - roman)
Omtrent Deedee (1963 - roman)
Het jaar van de kreeft (1972 - roman)
Het verdriet van België (1983 - roman)
De mensen hiernaast (1985 - verhalen)
De Zwaardvis (1989 - novelle)
De geruchten (1996 - roman)
Onvoltooid verleden (1998 - roman)


19 - 10 - 2022