07 juni: Klimt (in Galerie) & Claus (in Muze) - 08 juni: recensie van 'Bezonken rood' (Jeroen Brouwers) op Boekenplank

ZUCHT   (09/12/2019)


          Na mijn ochtendwandeling had ik mij in de bistro met zicht op het water in een rustig hoekje geïnstalleerd om ongestoord in het hoofdartikel van Knack te duiken. Een van de gewezen voorzitters van de SPA, bovendien zoon van de keizer van Leuven liet er zijn licht schijnen op de aanslepende verkennings- en preformatiegesprekken in het koninkrijk België. Buiten ging de wind, voorbode van de eerste herfststorm, al hevig te keer.

Ik verkeerde in opperbeste stemming want in het aangename gezelschap van een heerlijk geurende kop Illy koffie. Tot die twee oudere dames binnenkwamen, die uitgerekend het tafeltje pal naast het mijne uitkozen om de rest van hun voormiddag samen door te brengen. Ik kende hen niet, de uitbater daarentegen wel, want hij kwam vrijwel meteen, ongevraagd aandraven met een thee en een witte wijn.
Ik probeerde me te concentreren op het artikel en begon de koppen te lezen. 'Jan Jambon vergeet dat de wereld voortdurend in dezelfde richting draait: teruggaan kan nooit. Hij heeft nog altijd een Cyriel Verschaeve-reflex'. De zoon van de keizer van Leuven had het uiteraard over het controversiële cultuurbeleid van onze nieuwe minister-president. Een week geleden was er ook al een commentaar geweest waarin werd beweerd dat 'uitsluitend investeren in het verleden, in monocultuur dus, leidt tot verschraling van het landschap. Het doodt de diversiteit en aldus het leven zelf'. Prachtige metafoor.
 
Ze zitten te dicht, dacht ik en ze praten te luid. Vooral de gestuikte blonde met die in korte krullen gezette permanent, back to the fifties. De andere dame, mager, met kastanjebruin sluik haar in pony-snit, keek eerder afwezig als kampte ze met een stil verdriet.
De blonde: 'Het is goed dat je terug onder de mensen komt. Gaat het een beetje?'
De donkere: 'Het moet wel. Het leven gaat verder.' Ze nipte van haar thee, staarde voor zich uit.

Ik probeerde me zo goed mogelijk af te sluiten van mijn omgeving, niet te luisteren. 'Er rijden meer elektrische bussen rond in het centrum van Kaïro dan in heel Vlaanderen. De volgende generatie zal opdraaien voor de kosten...'
'En jij? Hoe gaat het met jouw André?'
'Gisteren had hij een mindere dag. Hij herkende mij weer niet en sprak heel de tijd tegen Martha. Hij zag er tevreden uit. Gelukkig.''
Martha bleek zijn eerste grote liefde te zijn geweest. Die er al lang niet meer was.
'Ik vond de tekst op Emerics overlijdensbericht zo pakkend: 'Ik heb alvast de lichtjes langs de weg aangestoken opdat je mij straks niet zou moeten zoeken in het donker'. Echt iets voor jullie.'
'Wij hadden dat vooraf besproken. Hij wou het zo.'

          Blijkbaar had Emeric de strijd tegen de vreselijke ziekte verloren. De dokters hadden wel alles in het werk gesteld om het hem tijdens zijn laatste uren zo draaglijk mogelijk te maken. Terwijl André vaak zijn vrouw niet meer herkent, allengs verglijdt naar een ver verleden.
Ongewild werd ik deelgenoot van, inbreker in het gesprek tussen de twee vriendinnen met hun stil verdriet.
'Weet je welk beeld er deze morgen zo ineens in mij opkwam? Van die avond in Parijs, weet je nog? André wou per se naar de French Cancan. Om die meisjes te zien dansen. Heb je zijn ogen toen gezien?'
De dames kregen binnenpretjes. Even maar.

Plots bevond ik mij, ruim een halve eeuw geleden, terug in de verduisterde kamer met de uitgemergelde oude man op zijn sterfbed. Mijn pépé. Niet alleen het kermen was er geweest, ondanks de vele morfine, maar nog erger die verdwaasde blik, zijn angst voor de eeuwigdurende donkere leegte. Niet zo is het de grootvader van mijn vrouw vergaan. In zijn laatste levensuur had hij slechts twee wensen meer gehad, twee simpele verzoeken: dat hij nog eens al zijn kinderen zou mogen zien en dat ze zijn benen mooi moesten strekken, zodat de meisjes straks geen moeite zouden hebben om hem in de kist te krijgen. Waarna hij vredig, vol vertrouwen is heengegaan.

Vroeger - voor het eerst realiseerde ik mij dat dit 'vroeger' zich grosso modo moet situeren in de periode vóór mijn zestigste verjaardag - zou een toevallig beluisterd gesprek over ziekte, aftakeling en dood mij nooit zo diep beroerd hebben als op dit eigenste ogenblik, hier in de bistro.
'De Vlaamse canon stopt ergens bij 'De Witte' van Ernest Claes. Dat Vlaanderen was een bekrompen, armoedig, paternalistisch land'. De letters en woorden dansten op en neer. Hun betekenis drong nog nauwelijks tot me door...
Vroeger had ik maar zelden stilgestaan bij kommer en kwel, toch zeker niet bij mezelf. Ik had toekomstplannen, projecten gehad. Ambitie stuwt een mens genadeloos vooruit. Tot hij beseft dat het er allemaal weinig toe doet... Ook mij overkwam het en plots was ik zestig geworden en besefte ik dat ik mezelf had voorbijgelopen. Van het weinige dat ik mij nog kon herinneren, vreesde ik dat het niet eens de moeite waard was geweest.

          Hoelang heb ik nog te gaan? Hoeveel tijd rest mij hier beneden nog? De relativiteit van de tijd heeft steeds in mijn nadeel gespeeld en dan bedoel ik niet die van Albert Einstein met zijn rond de aardbol rondtollende atoomklokken, maar deze bij mezelf. Toen ik nog een dreumes was, kon het niet vlug genoeg gaan. Het aftellen tot 1 juli, 6 december…, het duurde een eeuwigheid. En nu, een dikke halve eeuw later, probeer ik permanent met de rem op te leven. De 365 dagen tussen twee verjaardagen zijn in een zucht voorbij en nog nooit heb ik zo dicht bij mijn einde gestaan als nu, dit eigenste ogenblik. 
Hoe zou het er aan de andere kant uitzien, denk ik dan. Er is nog nooit iemand teruggekeerd om het te komen uitleggen, zei mijn moeder wel eens. Zal ik springen, met de ogen dicht, vol vertrouwen? Mocht ik kunnen kiezen, dan stel ik me mijn laatste uur het liefst voor als een doordeweekse avond: ik kruip onder de dekens, doe het licht uit en leg me op mijn zij, benen ingetrokken om in te dommelen, op te stijgen naar dromenland, niet meer te hoeven wakker worden.

En daarna? Ze mogen mij ergens uitstrooien of toedekken met een grafsteen. Eigenlijk voel ik wel iets voor het laatste, want kerkhoven boezemen mij al lang geen vrees meer in. Bovendien situeert een zerk iemand in ruimte en tijd. Een laatste voetafdruk. Een vriend noemt de laatste rustplaats het vliegveld. Wie daar ligt is altijd klaar om op te stijgen, mocht de gelegenheid zich voordoen.

          Het leven is slechts een zucht … 

'de dood is niet het doven van het licht, maar het uitblazen van de lamp omdat de dag is aangebroken'
                                                                                                                                           (Rabindranath Tagore)

- EINDE -